God is nog lang niet vertrokken

oktober 2, 2026

God is nog lang niet vertrokken

16,2 min read

Ga mee op reis

Ontvang een klein stukje Italië in je inbox.

Deel deze notitie

Over Italië, de kerk en een geloof dat ook zonder gelovigen voortleeft

Wie eind oktober in Italië met een bos chrysanten onder zijn arm bij iemand aanbelt, kan maar beter een heel goede verklaring hebben. In Nederland staan ze zonder problemen tussen de rozen en tulpen; hier behoren ze in de eerste plaats aan de doden toe. Ze bloeien laat, zijn sterk en blijven lang mooi en werden daardoor dé grafbloem rond Ognissanti, Allerheiligen op 1 november, en la Commemorazione dei Defunti op 2 november, in de volksmond eenvoudigweg i Morti. Die associatie met begraafplaatsen, rouw en dood is inmiddels zo sterk dat een bos chrysanten cadeau doen behoorlijk verkeerd kan vallen. Bij een bijgelovige ontvanger wordt waarschijnlijk onmiddellijk afgetikt of een ander gebaar tegen het ongeluk gemaakt. Alles liever dan de suggestie accepteren dat je gast zojuist bloemen heeft gekregen die eigenlijk voor haar graf bestemd lijken.

In de dagen rond i Morti zie je waar die bloemen wél naartoe gaan. De begraafplaatsen vullen zich met families, soms met drie generaties tegelijk. Graven worden schoongemaakt, vazen gevuld, foto’s afgestoft en tussen de grafstenen komt men bekenden tegen die precies hetzelfde doen. Er wordt een kruis geslagen, een gebed gezegd of alleen even stilgestaan. Ondertussen vraagt iemand hoe het met de kinderen gaat en wordt bijgepraat over ziekte, kleinkinderen en alles wat zich sinds het vorige bezoek heeft afgespeeld. De grens tussen herdenken en sociaal leven is er minder scherp dan wij in Noord-Europa gewend zijn. Zelfs tussen de doden blijft het Italiaanse leven opvallend levendig.

Veel van de mensen die daar met bloemen lopen, zaten de zondag ervoor niet in de kerk. Sommigen noemen zichzelf katholiek, anderen cattolico non praticante en weer anderen geloven nauwelijks of helemaal niet meer. Toch bezoeken ze het graf van hun ouders, zoals hun ouders dat deden en hun grootouders vóór hen. Het katholieke geloof in de verbondenheid tussen levenden en doden is in de loop der generaties vervlochten geraakt met familie en herinnering. Je hoeft niet meer precies hetzelfde te geloven om nog altijd hetzelfde te doen.

Dat geldt voor veel meer in Italië. Het geloof verliest terrein, terwijl de wereld die de kerk in bijna tweeduizend jaar om zich heen heeft gebouwd veel langzamer verandert. Niet meer in God geloven laat de kerktorens niet uit het landschap verdwijnen, de fresco’s niet uit de stadhuizen, de kapelletjes niet van de landwegen en de kloosters niet van de heuveltoppen. De heiligennamen blijven in families, de katholieke feestdagen in de kalender en de kerken midden in vrijwel iedere oude stad. Zelfs wie principieel niets met religie te maken wil hebben, ontkomt nauwelijks aan de zichtbare aanwezigheid ervan. De kerk staat letterlijk midden op het plein, bepaalt vaak het silhouet van een dorp en kijkt vanaf menige heuveltop over het landschap uit.

Ook de kalender blijkt hardnekkig katholiek. Kerstmis en Pasen spreken voor zich, maar op 6 januari vieren we Epifania, op 15 augustus valt Ferragosto samen met Maria-Tenhemelopneming, op 1 november is het Ognissanti en op 8 december de Immacolata Concezione. Daarnaast heeft vrijwel iedere plaats zijn patroonheilige, wiens feestdag lokaal zelfs een vrije dag kan zijn. De Italiaanse Republiek is officieel seculier, maar een overtuigde atheïst zal zelden bezwaar maken wanneer de Onbevlekte Ontvangenis hem in december een vrije dag oplevert.

De heiligen zijn trouwens nooit helemaal uit het dagelijks leven verdwenen. Wie iets kwijt is kan zoeken, maar Sant’Antonio inschakelen kan geen kwaad. Voor ogen is er Santa Lucia, voor hopeloze zaken San Giuda Taddeo en voor dieren San Francesco. Daarnaast heeft ieder dorp zijn eigen hemelse favoriet, die soms met een toewijding wordt verdedigd die verdacht veel lijkt op die voor de lokale voetbalclub. Een Italiaan kan je uitvoerig vertellen dat hij eigenlijk niet gelovig is en vijf minuten later voorstellen een kaarsje aan te steken omdat iemand geopereerd moet worden. Geloof, gewoonte en een zekere non si sa mai (je weet tenslotte maar nooit), kunnen hier uitstekend naast elkaar bestaan.

Ook voornamen dragen dat verleden mee. Francesco, Giuseppe, Giovanni, Antonio, Lucia, Chiara, Maria: generaties kinderen kregen de naam van een heilige, vaak tegelijk die van een grootouder, waardoor hemel en familiegeschiedenis mooi in elkaar overliepen. Met die naam kreeg je bovendien een onomastico, de feestdag van jouw heilige. In sommige families wordt die nog gevierd of krijg je ten minste een telefoontje met auguri. Een land dat van familie, eten en feestdagen houdt, heeft nooit veel bezwaar gehad tegen een extra reden om iets op tafel te zetten.

Dat dit alles begon met een kleine religieuze minderheid in het Romeinse Rijk is bijna niet meer voor te stellen. Christen-zijn was aanvankelijk geen cultureel erfgoed, maar bij tijd en wijle een gevaarlijke keuze. Christenen werden in verschillende perioden vervolgd en volgens de christelijke traditie vonden Petrus en Paulus in Rome de marteldood. In de vierde eeuw veranderde hun positie radicaal: Constantijn gaf het christendom wettelijke ruimte en tegen het einde van die eeuw werd onder Theodosius I het nicene christendom de officiële religieuze norm van het Romeinse Rijk.

Het West-Romeinse Rijk viel vervolgens uiteen, maar de bisschop van Rome bleef. Keizers verdwenen, grenzen verschoven en Longobarden, Franken, Normandiërs en anderen kwamen en gingen. Het Italiaanse schiereiland zou eeuwenlang verdeeld blijven over koninkrijken, republieken, hertogdommen en stadstaten, terwijl in Rome het geestelijke én wereldlijke gezag van de paus groeide. Uiteindelijk bestuurden de pausen hun eigen Pauselijke Staten, die grote delen van Midden-Italië omvatten, waaronder gebieden van het huidige Lazio, Umbrië, Marche en Emilia-Romagna.

Wie vandaag door Midden-Italië rijdt, ziet die geschiedenis nog overal. Een abdij op een heuvel, een klooster achter dikke muren, een bisschoppelijk paleis naast de kathedraal, een pauselijk wapen boven een stadspoort: het landschap is ermee volgeschreven. Religieuze orden beheerden bovendien land, scholen, weeshuizen, ziekenhuizen en armenzorg. Kloosters waren centra van landbouw, kennis en onderwijs en religieuze zusters speelden nog tot ver in de twintigste eeuw een belangrijke rol in de Italiaanse ziekenzorg.

De kerk ontmoette je daardoor op vrijwel ieder belangrijk moment van je bestaan. Kort na je geboorte kwam de doop, daarna volgden biecht, eerste communie en vormsel. Je trouwde voor de kerk en uiteindelijk werd je kerkelijk begraven. De parochie hield geboorten, huwelijken en overlijdens bij lang voordat een moderne burgerlijke administratie dat allemaal zelf organiseerde. De kerk stond naast de wieg, voor het bruidsbed en uiteindelijk bij het graf.

n ook wat zich tussen die drie momenten afspeelde, liet haar niet onberoerd. De katholieke moraal bepaalde eeuwenlang wat binnen huwelijk, seksualiteit en gezin behoorlijk, toegestaan of zondig werd gevonden. Het huwelijk was levenslang, seksualiteit hoorde bij huwelijk en voortplanting en mannen en vrouwen kregen verschillende rollen toebedeeld. Voor vrouwen waren de gevolgen daarvan bijzonder groot. Een zwangerschap buiten het huwelijk kon de reputatie van een hele familie aantasten en een ongelukkig huwelijk bleef een huwelijk: echtscheiding bestond wettelijk in Italië tot 1970 eenvoudigweg niet.

Het werkelijke leven liet zich vanzelfsprekend nooit volledig door een catechismus organiseren. Daar ligt een van de heerlijkste Italiaanse tegenstrijdigheden. Dit is tenslotte het land dat eeuwenlang de katholieke seksuele moraal naar de rest van de wereld exporteerde en tegelijkertijd een indrukwekkende hoeveelheid liedjes, films, roddels en familiegeschiedenissen heeft voortgebracht waaruit blijkt dat de praktijk soms een eigen interpretatie koos. De pastoor wist veel, maar de nonna waarschijnlijk meer.

Die moeder kreeg binnen de katholiek-familiale wereld bovendien een bijna onaantastbare positie. Het beroemde Italiaanse mammismo uitsluitend aan de kerk toeschrijven zou te gemakkelijk zijn; economische omstandigheden, regionale familiepatronen, laat uit huis gaan en een relatief beperkte verzorgingsstaat spelen eveneens mee. Toch heeft het katholieke ideaal van Maria eeuwenlang meegeschreven aan het beeld van vrouwelijkheid en moederschap. Maria zelf is nauwelijks te ontwijken. Ze staat in kerken en kapelletjes, maar ook in nissen aan gevels en langs de weg. Soms met een plastic bloemetje, soms met een elektrisch kaarsje en soms zelfs met een vers boeket.

Zelfs eten ontsnapte niet aan de kerkelijke kalender. Vasten- en onthoudingsdagen bepaalden eeuwenlang wanneer vlees wel en niet op tafel hoorde en lieten zo hun sporen achter in regionale keukens. Kerstavond was traditioneel di magro, zonder vlees; Pasen bracht lam, eieren en rijkere gerechten terug. In Umbrië horen met Kerstmis de cappelletti in brodo di cappone nog altijd bij de feesttafel, vaak na een voorbereiding waarbij rond de spianatoia genoeg pasta wordt geproduceerd om een klein regiment te voeden. Zelfs hier duikt de geestelijkheid op: een oude verklaring voor de naam cappelletti verwijst naar hun vorm, die aan een kerkelijk hoofddeksel doet denken, en een verslag uit 1811 vertelt over priesters die wedstrijden hielden wie er de meeste kon eten. Geestelijke matigheid had kennelijk haar grenzen zodra er een goede bouillon op tafel stond.

Ook het ritme van de dag klonk eeuwenlang uit de klokkentoren. Kerkklokken riepen naar de mis, kondigden huwelijk en overlijden aan, waarschuwden voor gevaar en verdeelden de uren voordat iedereen een klok in huis had. Op het Italiaanse platteland doen ze dat laatste soms nog altijd met een enthousiasme dat weinig rekening houdt met inwoners die om zeven uur ’s morgens nog geen behoefte hebben aan zowel tijdsaanduiding als geestelijke begeleiding.

De kerk heeft zo eeuwenlang mee bepaald hoe de Italiaanse samenleving eruitzag, at, trouwde, rouwde, feestvierde, opvoedde en naar goed en kwaad keek. Toen in de negentiende eeuw eindelijk een Italiaanse nationale staat ontstond, moest die daarom niet alleen vorstendommen samenvoegen, maar ook afrekenen met een paus die zelf een aanzienlijk deel van het toekomstige land bestuurde.

In 1861 werd het Koninkrijk Italië uitgeroepen, hoewel Rome en delen van het huidige Italië toen nog ontbraken. Rome bleef onder pauselijk gezag tot Italiaanse troepen de stad in 1870 innamen; het jaar daarop werd ze hoofdstad van het koninkrijk. Pius IX erkende de nieuwe situatie niet en beschouwde zichzelf als gevangene van het Vaticaan. Italië had na eeuwen van verdeeldheid eindelijk een hoofdstad en kreeg onmiddellijk ruzie met de beroemdste inwoner ervan.

Die Questione Romana duurde bijna zestig jaar. Pas in 1929 bereikten paus Pius XI en de fascistische regering van Benito Mussolini een akkoord. Met de Lateraanse Verdragen erkende de Heilige Stoel het Koninkrijk Italië met Rome als hoofdstad en erkende Italië de nieuwe, soevereine staat Vaticaanstad. Het katholicisme werd daarbij staatsgodsdienst. Zo ontstond midden in Rome een zelfstandige staat van ongeveer 44 hectare: kleiner dan menig Italiaans landbouwbedrijf, maar qua politieke invloed beslist niet te onderschatten.

In 1984 werd het Concordaat herzien en verdween het katholicisme formeel als staatsgodsdienst. De grondwet spreekt al sinds 1948 over staat en katholieke kerk als ieder in hun eigen sfeer onafhankelijk en soeverein en beschermt ook andere geloofsovertuigingen. Juridisch zijn kerk en staat dus gescheiden. Na bijna tweeduizend jaar gezamenlijke geschiedenis bleken er alleen nogal wat gezamenlijke dossiers over.

Het lijkt soms op een typisch Italiaanse scheiding: officieel woont ieder op zichzelf, maar ze hebben nog steeds elkaars sleutel en bemoeien zich geregeld met wat er aan de andere kant van de voordeur gebeurt.

Dat zie je bijvoorbeeld in het openbare onderwijs, waar nog altijd insegnamento della religione cattolica wordt aangeboden. Leerlingen hoeven het vak niet te volgen, maar het bestaat op basis van afspraken tussen staat en kerk. De regeling gebeurt samen met de Italiaanse bisschoppenconferentie en de officiële onderbouwing verwijst naar het katholicisme als onderdeel van het historische erfgoed van Italië.

En op een goed zichtbare plaats in veel klaslokalen, boven een deur, aan een muur, vroeger vaak bij het schoolbord, hangt nog altijd een kruisbeeld.

Dat kleine kruis heeft inmiddels een indrukwekkende juridische carrière achter de rug. In 2003 maakte de Italiaanse moslimactivist Adel Smith bezwaar tegen de aanwezigheid ervan in de openbare school van zijn kinderen in Ofena, in de Abruzzen. Een rechter in L’Aquila beval aanvankelijk dat de kruisbeelden uit de betrokken lokalen moesten worden verwijderd. Politici, burgemeesters, ouders en geestelijken stortten zich op de kwestie. De beschikking hield uiteindelijk geen stand omdat de gewone rechter niet bevoegd werd geacht, maar de discussie was daarmee allerminst verdwenen.

Enkele jaren later verzette Soile Lautsi, een Italiaanse staatsburger van Finse afkomst, zich eveneens tegen kruisbeelden in de openbare school van haar kinderen. In 2009 kreeg zij aanvankelijk gelijk bij een kamer van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; in 2011 draaide de Grote Kamer dat oordeel om. Alleen de aanwezigheid van een kruisbeeld was volgens het Hof onvoldoende om vast te stellen dat Italië daarmee de rechten van ouders en leerlingen schond. In 2021 bepaalde de Italiaanse Corte di Cassazione vervolgens dat een school het kruisbeeld niet eenvoudig van bovenaf aan iedereen kan opleggen: bij verschillende overtuigingen moet binnen de schoolgemeenschap naar een redelijke oplossing worden gezocht.

Na al die rechtszaken bleef vooral de veel grotere vraag hangen: van wie is dat kruis eigenlijk? Van de kerk en de gelovige, of inmiddels ook van een land waarvan kunst, geschiedenis en identiteit zo lang met het katholicisme verweven zijn geweest? Voor een moslim, jood, atheïst of overtuigd seculiere Italiaan kan het een religieus symbool zijn dat een openbare instelling niet behoort uit te dragen. Voor een ander is precies hetzelfde voorwerp erfgoed, familie en geschiedenis. Daardoor gaat de discussie evenzeer over godsdienstvrijheid als over de vraag wat men onder “Italiaans” verstaat.

Terwijl daarover wordt gediscussieerd, wordt Italië zelf steeds minder kerkelijk. In 2024 werd 61,3 procent van alle huwelijken burgerlijk gesloten en daalde het aantal religieuze huwelijken opnieuw met 11,4 procent. Zelfs bij eerste huwelijken was de burgerlijke ceremonie inmiddels in de meerderheid. De regionale verschillen zijn aanzienlijk, maar de richting is duidelijk.

Doop, communie en vormsel bewegen minder netjes met die cijfers mee. Voor sommige families zijn het volledig religieuze sacramenten; voor andere zijn ze tegelijk familiegebeurtenissen geworden. Een eerste communie kan beginnen met de eucharistie en eindigen met dertig familieleden aan tafel, een taart die nauwelijks door de deur past en een kind dat vooral belangstelling heeft voor de enveloppen die het heeft gekregen.

Met Kerstmis gebeurt iets vergelijkbaars. Voor de één begint het werkelijk bij de geboorte van Christus, voor de ander bij de cappelletti, de panettone en de jaarlijkse diplomatieke onderhandelingen over de vraag of er bij zijn familie of bij de schoonfamilie wordt gegeten. De religieuze betekenis kan vervagen terwijl het ritueel vrijwel onaangetast blijft.

De kerk verliest de gelovige sneller dan de gewoonte. Dat zie je prachtig tijdens een festa patronale. De heilige wordt uit de kerk gehaald op een draagbaar gevaarte waarvoor een groep sterke mannen nodig is, de fanfare loopt mee, de priester volgt, oude vrouwen slaan een kruis en kinderen proberen vooral niet stil te hoeven staan. Eenmaal terug op het plein wachten eten, muziek, kraampjes en soms vuurwerk waarvan de omvang doet vermoeden dat de patroonheilige persoonlijk heeft gevraagd om vanaf de hemel goed zicht te hebben.

Daartussen lopen overtuigde katholieken, gelegenheidskerkgangers en genoeg inwoners die op een gewone zondag alleen langs de kerk komen omdat de bar ernaast goede koffie schenkt. Toch is het hún heilige, hún processie en hún feest. De patroonheilige hoort bij het dorp zoals de klokkentoren, de voetbalclub en die ene familie waar iedereen een beetje tegenop kijkt.

Religieuze symbolen kunnen daardoor emoties oproepen bij mensen die zelf nauwelijks religieus leven. Geloof is persoonlijk; cultuur wordt gedeeld. Zodra aan zo’n symbool wordt geraakt, kan iets wat jarenlang nauwelijks werd opgemerkt ineens als onderdeel van de eigen identiteit worden verdedigd. Dat maakt Italianen overigens allerminst eensgezind over de kerk. De geschiedenis laat juist zien hoe fel hier over religie, moraal en politiek is gestreden.

Na de Tweede Wereldoorlog was de katholieke invloed op de politiek bijzonder groot. De Democrazia Cristiana stond decennialang in het centrum van de macht, terwijl Italië tegelijkertijd de grootste communistische partij van West-Europa kende. In sommige families kon de keuze tussen DC en PCI bijna net zo gevoelig liggen als de favoriete voetbalclub, met dit verschil dat er op zondag vanaf de kansel ook nog iets over kon worden gezegd.

Gaandeweg bleek echter dat katholiek Italië niet hetzelfde was als gehoorzaam Italië. In 1970 werd echtscheiding wettelijk mogelijk. De kerk verzette zich fel en er volgde een referendum om de wet terug te draaien. In 1974 koos de bevolking ervoor de echtscheiding te behouden. In 1981 gebeurde iets vergelijkbaars rond abortus. Miljoenen Italianen konden zichzelf cultureel katholiek blijven noemen en tegelijkertijd besluiten dat de kerk niet langer alles mocht bepalen wat er in het burgerlijk huwelijk, de slaapkamer of het ziekenhuis gebeurde.

Haar politieke stem verdween daarmee niet. Ook vandaag mengen de kerk, de Italiaanse bisschoppen en het Vaticaan zich in discussies over gezin, abortus, voortplanting, euthanasie en onderwijs, maar evengoed over armoede, arbeid, migratie, oorlog en sociale ongelijkheid. Kerkelijke invloed laat zich daardoor moeilijk eenvoudig als links of rechts omschrijven. Een politicus kan zich bij een debat over het gezin graag beroepen op christelijke waarden en enkele dagen later door dezelfde kerk worden bekritiseerd om zijn houding tegenover migranten. De kerk en de politiek zitten soms aan dezelfde tafel, maar bestellen lang niet altijd dezelfde gerechten.

Zelfs wie politiek en persoonlijk steeds verder van de kerk af komt te staan, ontmoet haar uiteindelijk nog op een onverwachte plaats: de belastingaangifte. Via het otto per mille-systeem kunnen belastingplichtigen aangeven aan welke deelnemende religieuze gemeenschap of aan de staat een aandeel ter grootte van acht promille van de totale IRPEF-opbrengst wordt toegerekend. Het systeem is ingewikkelder dan acht promille van je eigen belasting weggeven; de gemaakte keuzes bepalen mede hoe een groter bedrag wordt verdeeld. De katholieke kerk ontvangt daarvan verreweg het grootste religieuze aandeel.

Een geschiedenis die begon met kleine groepen vervolgde christenen in het Romeinse Rijk komt bijna tweeduizend jaar later dus ook terecht in een vakje op een belastingformulier. Zelfs de meest fantasierijke kerkvader had die ontwikkeling vermoedelijk niet zien aankomen.

En straks, wanneer oktober ten einde loopt, staan de chrysanten weer klaar. Families rijden naar de begraafplaats. Er wordt geveegd en gepoetst totdat het familiegraf er verzorgd bij ligt. Iemand maakt een kruisteken, een ander niet. Kinderen horen verhalen over opa of oma, een overgrootmoeder die ze nooit hebben gekend, een tante die veel te jong stierf of een broer of zus die nog altijd wordt gemist. De bloemen worden neergezet en voor vertrek kijkt men nog één keer of alles netjes staat.

De één gelooft dat de mensen die daar begraven liggen ergens voortleven. De ander denkt daar anders over. Toch staan ze die dag naast elkaar op hetzelfde kerkhof. God hoeft niet thuis te zijn, om overal zijn spullen te laten liggen.

Na bijna tweeduizend jaar heeft de katholieke kerk zoveel lagen in Italië achtergelaten dat geloof en cultuur zich moeilijk uit elkaar laten trekken. Haar formele macht is kleiner geworden, haar morele gezag wordt vaker tegengesproken en de kerkbanken zijn leger. Toch klinkt iedere dag ergens een klok over een piazza, kijkt een Madonna vanuit een nis uit over het verkeer, draagt een kind de naam van een heilige, krijgt iemand vrij vanwege een katholieke feestdag en loopt een heel dorp achter zijn patroonheilige aan.

Tradities verdwijnen niet zodra de overtuiging waaruit ze ooit voortkwamen minder vanzelfsprekend wordt. Ze krijgen een andere betekenis en gaan soms generaties verder nadat hun religieuze oorsprong naar de achtergrond is verdwenen. Zo kan een Italiaan die al twintig jaar niet meer heeft gebiecht op 2 november met chrysanten naar het kerkhof gaan, op 8 december genieten van zijn vrije dag, met Kerstmis cappelletti eten, zijn kind laten dopen en zich tegelijkertijd met grote overtuiging non praticante noemen.

In Italië hoeft daar kennelijk niets tegenstrijdigs aan te zijn. Het is familie, traditie, Italië. En ergens, heel diep daaronder, nog altijd een beetje de Kerk.

Yvette

God is nog niet vertrokken… en jij toch ook nog niet? Abonneer je op Lavender Notes voor meer verhalen achter het alledaagse Italië. En smaakte dit verhaal naar meer, dan mag je me altijd op een espresso trakteren. Volledig vrijwillig, daar kan zelfs het Vaticaan weinig tegenin brengen!