Tussen zorg en verstikking

maart 3, 2026

Tussen zorg en verstikking

5,3 min read

Ga mee op reis

Ontvang een klein stukje Italië in je inbox.

Deel deze notitie

Over mammoni en waarom liefde soms té goed kan zorgen

In Italië bestaat er een woord dat tegelijk vertederend en licht beschuldigend klinkt: mammone. Het is de volwassen zoon die, ondanks zijn leeftijd en vaak ook een eigen leven, nog stevig verankerd is in het leven van zijn moeder. Hij kan op zichzelf wonen, een carrière hebben, zelfs een gezin, maar ergens is er altijd een moeder die weet of hij goed heeft gegeten, of zijn overhemden zijn gestreken en of die nieuwe vriendin wel met voldoende respect over hem spreekt.

Het woord wordt meestal uitgesproken met een glimlach. Soms met een berustende zucht, maar zelden met schaamte. Het is geen mislukking, het is een cultuur.

Je ziet het in kleine dingen. In mannen die niet precies weten hoe de wasmachine werkt. Die na jaren huwelijk nog steeds vragen waar hun sokken liggen, alsof sokken een mysterie zijn dat alleen door moederlijke intuïtie kan worden opgelost. In mannen die bij 37,3°C lichaamstemperatuur al overtuigend richting sterfbed bewegen en de theatrale zwakte met zichtbaar genoegen laten begeleiden door moederlijke of echtelijke toewijding.

Het is soms aandoenlijk, soms oprecht grappig. En soms, als de humor is uitgewerkt, uitgesproken pijnlijk. Want achter het stereotype schuilt iets dat minder onschuldig is dan het lijkt: een vorm van volwassenheid die zich nooit volledig heeft hoeven ontwikkelen.

De man die geen ei kan bakken, laat staan een volwaardige maaltijd bereiden die niet uit een magnetron komt, is zelden onbekwaam uit onvermogen. Veel vaker is hij grootgebracht in een structuur waarin zorg zo overvloedig aanwezig was dat het oefenen van autonomie eenvoudigweg niet dringend leek. Waarom zou je leren wanneer iemand anders het sneller, beter en met toewijding voor je doet?

Zorg en overvloedige liefde kunnen zo volledig zijn, dat zij onbedoeld ruimte innemen waar groei had kunnen plaatsvinden.

Wat mij intrigeert, is niet zozeer dat praktische vaardigheden ontbreken, maar dat het dus jarenlang ook niet nodig was om ze te ontwikkelen. Het ontbreken ervan had geen gevolgen. Er was altijd een vangnet, altijd een hand die overnam, altijd iemand die wist hoe het moest.

Onkunde verandert dan langzaam van een tekort in een comfortzone. En comfort, hoe liefdevol ook bedoeld, kan verslavend zijn en nodigt zelden uit tot groei.

Wie altijd is opgevangen, merkt niet dat hij nooit heeft hoeven vallen en leert dus ook niet hoe hij moet opstaan. Wie nooit volledig verantwoordelijkheid heeft moeten dragen, ervaart volwassenheid niet als iets dat geoefend moet worden, maar als iets dat vanzelf wel komt en kan dan ook niet zelf ontdekken wat hij werkelijk aankan.

Toch zou het te eenvoudig zijn om hier alleen met ironie naar te kijken, want in diezelfde cultuur zie ik ook een intensiteit van betrokkenheid die bewondering oproept. Moeders die blijven zorgen zonder zich af te vragen of het nog nodig is. Die hun zonen niet alleen voeden, maar ook beschermen, begeleiden en verdedigen. Familie is hier geen fase die je ontgroeit. Het is een structuur die blijft, ook als de kalender zegt dat je volwassen bent.

De scheidslijn tussen betrokkenheid en belemmering is dun en beweeglijk.

Soms lijkt het alsof sommige mannen het comfortabel vinden om “niets te kunnen”. Onwetendheid wordt dan een subtiele strategie. Wie zegt dat hij het niet weet, hoeft het niet te doen. Wie beweert dat hij er slecht in is, krijgt het uit handen genomen. En zorg, eenmaal aangeboden, wordt zelden geweigerd.

Maar dat spel wordt niet door één persoon gespeeld. Het is relationeel. Iemand moet bereid zijn het over te nemen. Iemand moet betekenis ontlenen aan nodig zijn.

Daar wordt het voor mij als moeder persoonlijk.

In Noord-Europa zijn we opgevoed met het idee dat zelfstandigheid een deugd is. Een goede ouder maakt zichzelf langzaam overbodig. Kinderen leren vroeg hun eigen boterham te smeren, hun eigen veters te strikken, hun eigen fouten te corrigeren. Onafhankelijkheid is geen toevallig neveneffect, maar een bewust nastrevenswaardig doel, het wordt gezien als vrijheid en als kracht. Het geldt als bewijs van geslaagd opvoeden.

Toch kent autonomie ook schaduwkanten. Vroege zelfstandigheid kan soms betekenen dat warmte dunner wordt verdeeld. Dat praktische hulp plaatsmaakt voor principiële afstand. Dat “je kunt het zelf” niet alleen vertrouwen uitdrukt, maar ook een subtiele terugtrekking.

Tussen het Italiaanse beschermen en het Noord-Europese loslaten probeer ik mijn weg te vinden.

Ik wil zorgen, beschermen, begeleiden. Ik wil aanwezig zijn wanneer het nodig is, het gewicht even overnemen als armen nog te klein zijn om het te dragen. Maar ik wil niet verstikken. Ik wil niet dat mijn liefde haar onbekwaam maakt. Ik wil dat mijn dochter leert hoe ze iets probeert, zonder dat iemand het al voor haar heeft opgelost. Dat ze ervaart hoe het is om iets onder de knie te krijgen. Niet omdat afstand een doel op zich is, maar omdat stevigheid van binnenuit moet groeien.

Tegelijkertijd wil ik dat zij weet dat er altijd een plek is waar zij op mag en kan terugvallen. Dat verbondenheid geen contract is dat eindigt zodra je zelfstandig wordt. Dat zorg geen controle is, maar nabijheid.

Moederschap bevindt zich precies op die dunne, soms bijna onzichtbare lijn. Te weinig nabijheid maakt koud. Te veel nabijheid maakt zacht waar stevigheid nodig is.

Misschien ligt het onderscheid niet in hoeveel we doen, maar in wanneer we het doen.

Onlangs stond ik met haar in de keuken. Zij op een stoel die eigenlijk net iets te hoog was, ik ernaast, ietwat bezorgd en toch vastbesloten niet telkens in te grijpen. Ze roerde in een kom met de uiterste concentratie van een driejarige die het gevoel heeft iets buitengewoons te ondernemen. Meel dwarrelde over het aanrecht, vond zijn weg naar de vloer en nestelde zich in haar haren en landde op haar wimpers alsof het daar thuishoorde.

“Ik zelf,” zei ze, met een stelligheid die geen ruimte liet voor discussie.

Ik hield de kom vast zodat hij niet zou kantelen, maar ik nam de lepel niet over. Ik corrigeerde niet elke scheve beweging en ik maakte het beslag niet gladder dan zij het maakte. Het bleef klonterig en ongelijk, maar het was van haar.

Toen ze me aankeek, met dat trotse snoetje van iemand die iets heeft gedaan dat even onmogelijk leek, wist ik wat ik haar uiteindelijk wil meegeven.

Ik ben hier.
Ik geloof in je.
En je mag het proberen.

Yvette

Bleef dit verhaal nog even bij je hangen een glimlach, een herkenning, misschien een lichte zucht, dan lees je misschien graag verder. Je bent van harte welkom om je te abonneren en mee te blijven kijken.

In Lavender Notes schrijf ik over dit soort typisch Italiaanse fenomenen: gewoontes die tegelijk vertederen en verbazen, en die iets laten zien over hoe we leven, liefhebben en soms ook een beetje blijven hangen.

En als je het waardeert dat dit soort verhalen blijven bestaan, zacht verteld, zonder oordeel, dan kun je met een klein gebaar helpen om ze te blijven vangen en delen.

Alles mag, niets moet. Dank je wel.